De hersenen bestaan uit miljarden zenuwcellen (neuronen). De neuronen hebben lange uitlopers waardoor ze met elkaar verbonden zijn en kunnen communiceren met andere gebieden van de hersenen en de rest van het lichaam. De communicatie tussen neuronen begint met elektrische activiteit. Elke cel is elektrisch geladen en zodra een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden kan een boodschap van de celkern naar het uiteinde van de zenuwcel worden verstuurd. Wanneer een relatief groot aantal neuronen tegelijkertijd vuurt, kan deze elektrische activiteit aan de buitenkant van het hoofd gemeten worden.

Een registratie van de elektrische activiteit van hersenen wordt een EEG (Elektro-Encephalo-Grafie) genoemd. EEG-metingen geven vooral globale informatie over de toestand van de hersenen. Het blijkt echter dat deze globale informatie voldoende is om afwijkingen in de hersenactiviteit te zien, zoals epilepsie. Doordat het met de hedendaagse computers mogelijk is om met de signalen uit de hersenen te rekenen, is het mogelijk om van meer ziektebeelden afwijkende signalen uit de hersenen waar te nemen. Deze nieuwe technieken, waarbij de EEG-signalen niet alleen bekeken worden maar waarbij ook gerekend wordt met de signalen, worden onder de noemer kwantitatief EEG samengevat. De meest gebruikte afkorting hiervoor is QEEG, van het Engelse woord Quantitative EEG.

De zenuwcellen in de hersenen communiceren met elkaar met verschillende soorten hersengolven, variërend van langzame golven tot snelle golven. Bij een QEEG wordt het aandeel van allerlei golven in de hersensignalen berekend. Uit veel studies blijkt dat een QEEG nauwkeuriger is dan het bekijken van EEG-signalen voor het detecteren van afwijkende activiteit van diverse ziektebeelden. De hersengolven worden onderverdeeld op basis van de snelheid waarmee ze voorkomen en hebben benamingen gekregen van letters uit het Griekse alfabet, zoals delta, theta, alfa en beta. 

De uitkomst van een QEEG-meting wordt een QEEG-profiel genoemd. Er zijn de afgelopen jaren veel studies uitgevoerd die de samenhang tussen QEEG-profielen en ziektebeelden hebben onderzocht. Aangezien QEEG de basis voor neurofeedback is, vormen deze QEEG-profielen van ziektebeelden ook de basis voor behandelprotocollen van neurofeedback.

 

Een QEEG-meting in de praktijk

Om hersenactiviteit te meten worden eerst elektrodes op het hoofd geplaatst. Het aantal elektrodes en de plek waar ze geplaatst worden hangt af van de klacht van de cliënt. BMC werkt volgens internationale afspraken voor het bepalen van meetplaatsen op het hoofd. De hersensignalen die gemeten worden, zijn zeer klein omdat ze door de schedel en de huid moeten komen. Om toch signalen van goede kwaliteit te meten moet de huid waar de elektrodes komen, worden schoongemaakt. Dit gebeurt met speciaal voor EEG ontwikkelde scrubgel. Vervolgens worden de elektrodes gevuld met een geleidende gel die de elektrodes op de huid laat plakken en die de elektrische signalen van de hersenen doorgeeft aan de elektrodes. De behandelaar kan via een meting bekijken of de elektrodes goed zijn aangesloten. Het aanbrengen van de elektrodes is geheel pijnloos. De elektrodes worden via een kastje verbonden met een computer, zodat de EEG-signalen met de computer kunnen worden gemeten en genalyseerd.

Uit wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat de activiteit van de hersenen in rust heel belangrijk is voor het bepalen van de gezondheidstoestand van de hersenen. Bepaalde ziektebeelden gaan namelijk gepaard met veranderde rustactiviteit van de hersenen. Sommige ziektebeelden kunnen nog beter worden herkend door de activiteit van de hersenen ook te meten tijdens bepaalde taken, zoals aandachtstaken of motorische taken. Daarom bestaat een QEEG-meting bij BMC uit een meting in rust met de ogen gesloten, een meting in rust met de ogen geopend, en een meting tijdens één of meerdere taken.

JT Fixed Display